Taal en spelling · groep 8

Spellingregel kiezen

Je kind kiest de spellingregel die bij een woord hoort en past die toe: tussenletters in samenstellingen (s, e, en), stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden, achtervoegsels (-ig, -lijk, -isch) en lastige meervouden.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenDe tussenletter in een samenstelling kiezen (s, e of en).
  • ZelfstandigHet stoffelijk bijvoeglijk naamwoord goed schrijven (houten, gouden, zilveren).
  • ZelfstandigKiezen tussen -ig en -lijk, en woorden met -isch goed schrijven.
  • ToepassenLastige meervouden goed schrijven (monniken, dreumesen, kometen).
  • ToepassenBij een woord de regel kiezen die je helpt het goed te schrijven.
  • ZelfstandigHet bijvoeglijk naamwoord zelf invullen in een zin, als de spelling verandert (lief → lieve, wit → witte, glas → glazen).
  • ToepassenHet meervoud zelf invullen in een zin: met ’s, met -s na een klinker, met een trema, of onregelmatig (kalveren, steden).

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk woord is goed geschreven?

Niveau 2: Zelfstandig

Welk woord past op de puntjes? een … tafel (hout)

Niveau 2: Zelfstandig

Welk woord is goed geschreven?