Taal en spelling · groep 8

Passend woord kiezen

Je kind kiest het passende woord: het woord dat in de zin past, een schrijftaalwoord in plaats van spreektaal, het goede vaste voorzetsel en de betekenis van een woord met meer betekenissen.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenHet woord kiezen dat het best in de zin past.
  • ZelfstandigEen spreektaalwoord vervangen door een schrijftaalwoord.
  • ZelfstandigHet vaste voorzetsel bij een werkwoord kiezen.
  • ToepassenDe betekenis kiezen van een woord met meer betekenissen (homoniem), passend bij de zin.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk woord past het best? ‘De brandweer kon de brand snel …’

Niveau 2: Zelfstandig

Je schrijft een verslag. Welk woord kun je beter gebruiken in plaats van ‘effe’?

Niveau 2: Zelfstandig

Welk voorzetsel hoort erbij? ‘Ik wacht … de bus.’