Taal en spelling · groep 8

Werkwoordspelling controleren

Je kind controleert werkwoordspelling: vindt de fout in een zin of tekst, verbetert de vorm en kiest bij lastige gevallen (persoonsvorm of voltooid deelwoord met voorvoegsel, scheidbare werkwoorden, -dde/-tte, bijvoeglijk gebruikt) de goede vorm.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenIn een zin de fout geschreven werkwoordsvorm aanwijzen.
  • ZelfstandigKiezen tussen twee vormen die hetzelfde klinken: persoonsvorm of voltooid deelwoord, verleden tijd of bijvoeglijk gebruikt.
  • ZelfstandigHet voltooid deelwoord van een samengesteld werkwoord goed schrijven (scheidbaar en onscheidbaar).
  • ToepassenDe fout geschreven werkwoordsvorm zelf goed schrijven.
  • ZelfstandigDe juiste werkwoordsvorm invullen als de tijd en het hele werkwoord gegeven zijn (zoals in de doorstroomtoets).
  • ToepassenIn een korte tekst de werkwoordsvorm vinden die fout is.
  • ZelfstandigVan een werkwoordsvorm in een zin het hele werkwoord opschrijven (ook als de klank verandert: verft → verven, koos → kiezen).

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 2: Zelfstandig

Welke vorm is goed? De directeur … een nieuwe juf. (benoemen)

Niveau 2: Zelfstandig

Wat is het voltooid deelwoord van ‘uitleggen’? (ik heb …)

Niveau 3: Toepassen

Welk werkwoord is in deze tekst fout geschreven?

De juf heeft de toetsen nagekeken. Ze beoordeeld ze altijd streng. Sam haalde een acht. Hij was blij.