Taal en spelling · groep 6

Verwijswoorden correct gebruiken

Je kind gebruikt verwijswoorden correct in eigen zinnen: het passende verwijswoord (hij, zij, het, die, dat, hun) zodat duidelijk is naar wie of wat het verwijst.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenHet passende verwijswoord invullen.
  • ZelfstandigDie of dat kiezen bij de-woorden en het-woorden.
  • ToepassenHerkennen wanneer een verwijswoord onduidelijk is en verbeteren.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk woord past op de puntjes?

De fiets is kapot. … moet naar de fietsenmaker.

Niveau 2: Zelfstandig

Die of dat? ‘het spel … we spelen’

Niveau 3: Toepassen

In deze zin is niet duidelijk naar wie het verwijswoord verwijst. Welke verbetering is duidelijk?

Opa belde met papa. Hij was jarig.