Taal en spelling · groep 5

Tegenstelling in een tekst herkennen

Je kind herkent een tegenstelling in een tekst, ook aan signaalwoorden (maar, toch, echter, daarentegen), en weet wat er tegenover elkaar staat.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenHet signaalwoord voor een tegenstelling herkennen of kiezen.
  • ZelfstandigKiezen wat tegenover elkaar staat in de tekst.
  • ToepassenBeoordelen of er een tegenstelling in een zin staat.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk woord laat een tegenstelling zien?

Ik wilde naar buiten, … het regende.

Niveau 2: Zelfstandig

Wat staat in deze tekst tegenover elkaar?

Honden en katten zijn de populairste huisdieren van Nederland. Maar ze zijn heel verschillend. ¶ Een hond wil graag samen met zijn baasje zijn. Hij moet elke dag een paar keer uitgelaten worden. Een kat is juist zelfstandig. Ze gaat zelf naar buiten en komt terug wanneer ze wil. ¶ Allebei hebben ze eten, water en aandacht nodig. Welk dier bij jou past, hangt af van hoeveel tijd je hebt.

Niveau 3: Toepassen

Staat er een tegenstelling in deze zin?

Opa leest de krant en oma drinkt thee.